Inhoudsopgave / Startpagina

Vakantie 2000

(door Hanny Sinkeldam-Buschmann)


Het idee om deze vakantie naar Duitsland te gaan, ontstond eigenlijk op de Open Dag, toen ik een artikel uit een ANWB-uitgave ("Beste Stek", april 2000) onder ogen kreeg. Het ging over een camping waar een museum bij is gevestigd met oude tractoren en stoommachines. We besloten daar naar toe te rijden, en dan wel te zien wat we daarna zouden doen. Het gebied, het Teutoburgerwald, moest heel mooi zijn, ook heerlijk om er te wandelen.

We hadden alles geregeld: de post werd vastgehouden op het postkantoor, Dennis zou voor de planten zorgen en de eventuele kranten e.d. uit de brievenbus halen en we zouden regelmatig onze voicemail beluisteren. En natuurlijk stond alles wat ik had ingepakt klaar om in de auto te worden geladen. We gingen met de tent, de caravan bleef thuis.


Dag 1, maandag 24 juli

De kofferbak zat vol, de slaapzakken en kussens lagen op de achterbank en de routekaarten lagen binnen handbereik, compleet met loep, om tijdens het rijden niet telkens mijn bril af te hoeven zetten. We vertrokken 's middags om half drie, met als kilometerstand 202735.

Het weer was goed. Bij Amsterdam reden we de A1 op, richting Hengelo. Na een poosje gereden te hebben stopten we bij een BP-station om even de WC te bezoeken en om er twee blikjes cola te kopen. Ze hadden er ook leuke speelgoedbeesten. Misschien zouden we er op de terugweg nogmaals stoppen en dan zo'n enige knuffel kopen. Voor ons eerste kleinkind.

Eenmaal in Duitsland volgden we de A30, richting Osnabrück, vanwaar we verder reden over de A33 (B68). Hoe verder we kwamen, hoe donkerder werd de lucht en al gauw begon het te regenen. Op een parkeerplaats met een WC stopten we en in de stromende regen maakte ik een spurtje naar het toiletgebouw. Het was er vies en er was geen toiletpapier. Gelukkig had ik zelf het nodige bij me.

We gingen er ook eten. Ik had die ochtend al eten klaargemaakt: ijsbergsla met een komkommersalade, vier gekookte eieren en een bakje met gesneden komkommers. Het was wel wat veel, maar goed, uiteindelijk ging alles toch op.

Bij Paderborn gingen we de weg af. Af en toe kwam de zon even tevoorschijn en op slag zag alles er leuker uit. Op de routebeschrijving naar de camping stond "afrit Paderborn, dan over de B64 richting Höxter, bij Buke linksaf naar Altenbeken, en van daar af borden volgen." We reden een prachtige regenboog tegemoet, maar slaagden er niet in hem in te halen. Zo vonden we Camping Eggewald, gelegen op het terrein van een tweehonderd jaar oude boerderij. De boerderij is eigendom van Johannes Glitz, die een gigantische verzameling oude tractoren bezit. En ook een brandweerauto, compleet met ladder.

We hadden niet gereserveerd, maar er was plaats genoeg. Het was inmiddels droog geworden en dat zag er hoopvol uit. De tent stond al gauw maar het duurde niet lang of het begon heel hard te regenen. Wat fijn dat ik een paraplu had meegenomen. Die zou ik hier heel goed kunnen gebruiken. Inmiddels had ik ontdekt dat de tas met handdoeken, theedoeken, washandjes e.d. thuis was blijven staan. Zoiets moet je natuurlijk wel op zien te lossen. We hadden één badlaken meegenomen, die ik als badhanddoek gebruikte. In de pannenset zat een theedoek tussen de pannen, tegen het schuiven, die zou ik dan maar als theedoek gebruiken. Het dweiltje dat tussen ketel en deksel zat kon wel dienst doen als gewone handdoek en Cor had gelukkig zelf een handdoek in de auto gestopt (je kunt nooit weten waar dat goed voor is). Het wassen zelf moest dan maar gewoon met de hand gebeuren.


Dag 2, dinsdag 25 juli

Het was droog. Wolken, zon, prachtig! We wandelden over de camping en volgden de weg naar boven. We liepen langs een stuk of twintig koeien, die ons allemaal met hun koppen volgden. Ze stonden netjes naast elkaar bij het hek. Boven stonden ook koeien en alles zag er even mooi uit. Maar het zag er niet naar uit dat het droog zou blijven. Daarom had ik ook de paraplu meegenomen.

De rupstrekker

Een inmiddels bekend gezicht stak uit het raampje van een auto die ons inhaalde en kennelijk op weg was naar Kempen. Hij maakte een opmerking over de afwezigheid van een jas of iets dergelijks. Ik toonde hem mijn paraplu, die ik echter op dat moment niet nodig had. Toen sprak hij de prachtige woorden "Es gibt kein schlechtes Wetter, nur schlechte Kleidung!"

We besloten om 's middags een rit te maken met de auto en de volgende dag het museum te bezoeken. En daarna zouden we wel verder zien. Zo kwamen we bij Externsteine, niet ver van de camping af. In de Kampioen werd het beschreven als "een geologische attractie". Je kunt er langs uitgehakte trappen helemaal naar boven klimmen. Natuurlijk deden we dat niet. Je zou gemakkelijk kunnen uitglijden met die regen. We stonden dicht tegen elkaar gedrukt onder de paraplu om al het moois te bekijken.

Een paar uur later hadden we de camping teruggevonden. Daar waren "de mannen" bezig met het starten van een rupstrekker, die zo'n vijftien jaar niet had gedraaid en we hebben er langdurig naar staan kijken. Cor kon het niet laten: het duurde niet lang of hij hielp mee met draaien aan het vliegwiel. Dit is een onderdeel van de startprocedure, waarbij de motor (een Marshall) als het ware wordt aangeschoten met een startpatroon. Helaas lukte het ook toen nog niet. Met een grote trekker ervoor lukte het later wel. Wat een mooi gezicht. Later werd de rupstrekker, die door de mannen "der Buldog" werd genoemd, weer de schuur ingereden, waar hij bleef staan. O ja, Cor kon hier z'n hart ophalen!

Het was dus al heel laat toen we eindelijk konden gaan eten. Het werd spinazieschotel uit een doosje. En het smaakte prima. Alleen de jus was niet helemaal perfect maar nou ja, dat is toch niet zo erg voor een keer ...


Dag 3, woensdag 26 juli

We stonden met onze tent zo'n beetje op het laagste punt van de camping. Als het regende, en dat gebeurde met korte tussenpozen, stroomde alles naar ons plekje toe. Daarom was het erg drassig. Het was dus niet zo'n gek idee om weg te gaan, om ergens waar het beter weer was de tent weer op te zetten. Maar waar? Verder naar het zuiden gaan wilden we niet. In het noorden misschien? Maar eerst moesten we nog wel even het museum bekijken, waar we uiteindelijk voor waren gekomen.

Alles was vochtig en de kou trok omhoog, ook in het luchtbed. De tent was gelukkig droog, dus opruimen was niet zo'n probleem. Ons volgende reisdoel hadden al gauw vastgesteld: we zouden naar Ostfriesland gaan, om daar het voor mij belangrijke plaatsje Dunum te bezoeken.

Schapen op de weg

We moesten voor twaalf uur van de camping af zijn, en daarom ging ik nog gauw even alles afwassen. Toen bezochten we het museum. Cor schoot er twee fotorolletjes vol, om thuis alles nog eens op zijn gemak te kunnen bekijken. Wat een ongelooflijk grote verzameling!

Keurig op tijd waren we van de camping af. Vrijwel meteen na het verlaten van de camping werden we geconfronteerd met medeweggebruikers: een grote groep schapen.

Er leek geen einde aan te komen! Maar toch, na verloop van tijd was de weg weer vrij en konden we onze reis voortzetten.

Het was wel zaak om nu eerst even benzine te gaan tanken. Dat deden we in Altenbeken, waar we meteen ook maar een telefoonkaart kochten (om onze voicemailberichten te kunnen beluisteren). Bij de pomp noteerden we de kilometerstand: 203240. We hadden er dus al 505 kilometer op zitten. En bij de supermarkt kochten we gehakt, twee pakken met vitaminerijk vruchtensap (helemaal niet duur) en twee mooie badhanddoeken. Washandjes of theedoeken waren er niet.

Via Paderborn, waar we op de heenweg ook langs waren gekomen, reden we terug naar Osnabrück, om daarna in noordelijke richting verder te rijden. Bij Oldenburg volgden we richting Wilhelmshaven, sloegen de weg naar Wittmund in, reden door het plaatsje Burhafe en kwamen uit bij Dunum, waar de kerk staat waar Weiert Focken Buschmann (mijn bet-bet-overgrootvader) lang geleden op het orgel speelde, en waar in 1827 zijn zoon Weiert Gottfried werd gedoopt.

Om zeker te weten of dit echt de Evangelisch-Lutherse kerk was (dat stond er niet bij), vroeg ik het aan een paar mensen die aan de overkant stonden. Ik moest het maar in het café vragen, want zij wisten het niet. Dus, ik het café in. Daar wist de dame die achter de bar stond het wèl: dit was de enige Evangelisch-Lutherse kerk in Dunum. Om echter het zekere voor het onzekere te nemen zou ik even bij de pastor, die naast de kerk woont, aan kunnen bellen. Dat deed ik dus, maar die was helaas niet thuis. Toen dus toch maar de kerk in.

Evangelisch-Lutherse kerk in Dunum

In de kerk maakte ik een paar foto's, van het doopvont, de kansel en van het orgel en hoopte van harte dat ze gelukt waren (jammer genoeg waren, naar later bleek, twee van de drie foto's mislukt.)

Hoe dan ook, ik heb op de plek gestaan waar het allemaal is gebeurd. Dat geeft een heel apart gevoel. Niemand kan mij dat ooit meer afnemen! De foto die ik buiten maakte is wèl gelukt.

En wat nu? Gelukkig hadden we een campingboekje mee waar Duitsland ook in staat. Het was wel een boekje van 1994, maar ongetwijfeld liggen de campings nog op dezelfde plaats. En we hadden geluk: we zaten heel dicht bij een camping. Bensersiel ligt aan de Waddenzee, met uitzicht op een jachthaven en op de eilanden. Prachtig toch? Helaas was er maar voor één nacht plaats, maar we konden hier in ieder geval de zee bekijken, eten, slapen en de telefoonkaart even uitproberen.

Het eten koken ging niet zo gemakkelijk, want het waaide hard. Ik wilde macaroni klaarmaken en had thuis alles al netjes afgewogen en in zakjes gedaan. Maar door de wind ging het met het gasstel wat moeilijk: de vlam ging vreselijk tekeer. Maar goed, het lukte toch en het smaakte verrukkelijk. Waarschijnlijk was het vlees erg gekruid, in ieder geval smaakte het thuis anders.

Het sanitair was goed en we hoefden niet ver te lopen. We zaten tussen de Duitsers, alleen maar Duitsers. En ook die hebben kinderen die soms niet willen luisteren. Dan wordt er ook wel eens een klap uitgedeeld. Maar wel leuk om de gesprekken te beluisteren ...

Het tochtte in de tent door de harde wind, maar in de loop van de nacht nam de wind af.


Dag 4, donderdag 27 juli

In de verte de eilanden

De zon scheen en blauwe lucht was in aantocht. Voordat ik ging afwassen liep ik een stukje over het strand. Het was eb, heel rustig en af en toe vlogen er meeuwen laag over. Na de afwas maakten we samen een wandeling over het strand. We keken uit over de Waddenzee. Wie weet, misschien hebben mijn voorouders hier ook wel eens gestaan. Een vreemd idee. In dit gebied, Ostfriesland, woonden ze en werkten ze. Recht voor ons zagen we Langenoog, daarnaast, rechts, moest Spiekeroog liggen.

Ook dat eiland is voor mij wel interessant, omdat daar mijn bet-bet-overgrootvader korte tijd als leraar gewerkt heeft (hij was niet alleen maar organist in de kerk). Misschien heeft hij er ook wel gewoond. Al die dingen bedenk je dan in stilte. Ondertussen kwam de veerboot naar Langenoog juist binnen.

We hadden geen tijd meer om bij de jachthaven te gaan kijken en wandelden terug naar de tent. Alles was opgedroogd, ook onze klompen. Snel pakten we alles in, want we moesten voor twaalf uur weg zijn. Toch wel jammer dat we niet langer mochten blijven, want nu werd het juist mooi weer.

Keurig op tijd, kwart voor twaalf, rekenden we af en verlieten we de camping. In Bensersiel kochten we nog een paar kaarten, want we hadden er nog een paar tekort, en postzegels. En in de auto schreven we de kaarten, die we later zouden posten.

***

De plannen die we gemaakt hadden waren als volgt: we zouden door Duitsland terugrijden in zuidelijke richting, langs Leer, waar we McDonalds aandeden, Papenburg, Meppen, Lingen, Ahaus, Stadtlohn, en dan rechtsaf naar Winterswijk. Zeventien kilometer vóór Ahaus tankten we nog eenmaal (stand op de teller: 203794).

Op de kaart van Nederland hadden we een camping bij Hummelo gezien, en daar wilden we naar toe. Naarmate we weer verder naar het zuiden kwamen werd de lucht donkerder. Nee hè, niet weer regen! Maar doorrijden naar huis kon echt niet. We waren allebei moe en dan hoeft er maar iets te gebeuren of de vakantie zou een ongezellig slot krijgen. Dus toch maar naar de camping. De tent had al bewezen waterdicht te zijn, dus wat dat betreft was het geen probleem. En misschien was het alleen maar een bui ... Precies 101 km na de laatste tankstop reden we de camping op.

De camping bleek 't Graafschap te heten en gevestigd te zijn naast een manege. We zagen al enige paardenhoofden uit de verschillende raampjes naar buiten steken. Leuk! We zochten een mooi plekje uit en lieten ons inschrijven. Daarbij moesten we opgeven hoe lang we wilden blijven. Voorlopig hielden we het op twee nachten, daarna konden we alsnog besluiten langer te blijven. Net toen we bezig waren met het opzetten van de tent begon het te regenen.

Jammer genoeg mocht de auto niet bij de tent staan. Dat betekende dat we onze kast kwijt waren en dat we voor alles wat we nodig hadden terug moesten lopen naar het parkeerterrein. We namen dus alleen dat mee wat we echt nodig hadden en het tafeltje, dat helemaal onderin de kofferbak lag, bleef daar dus liggen. 's Middags hadden we al bij McDonalds gegeten, dus nu zouden we gewoon brood nemen. Uiteindelijk namen we maar een krentenbol en daar bleef het bij.

Het regende de hele nacht.


Dag 5, vrijdag 28 juli

Het regende niet meer, maar we stonden onder een boom. Het was dus verre van droog. Ik bedacht wat ik zou kunnen doen. Allereerst kon ik mijn puzzelboekje pakken en onder het afdak, waar ik de campingstoelen had neergezet, een puzzel gaan oplossen. En toch maar eens iets opschrijven van de afgelopen dagen. Het was leuk om even te praten met mensen die op hetzelfde veldje stonden als wij. Ze kwamen uit Gendt, tussen Arnhem en Nijmegen, en waren op de fiets, met twee jonge kinderen. Ze sliepen in twee tentjes en hadden, net als ik, bezit genomen van het afdak, de hut, of hoe je het ook zou moeten noemen. Er was een aanrecht met een paar wasbakken, twee kranen, houtblokken om op te zitten en het was er in ieder geval droog. Een prachtig plekje dus.

Ik had geen zin om er erg lang te blijven zitten en daarom besloot ik om de omgeving alvast een beetje te gaan verkennen. Met de paraplu in de hand ging ik op pad, eerst naar de manege, waar ik in elke box keek waarvan het raampje open stond. Een van de paarden heette Dennis. Wat een heerlijk gevoel je hand weer eens over een paardenhoofd te laten glijden, die zachte neus te voelen en die typische paardenlucht op te snuiven. Het bracht allerlei herinneringen boven. Daarna ging ik de Loenhorsterweg op. Na zo'n kwartier gelopen te hebben keerde ik om en ging weer terug naar de camping. En later maakten we diezelfde wandeling met z'n tweeën, maar dan een heel stuk verder. Het werd een lange wandeling. Af en toe kwam de zon er door en het bos was heel mooi.

De camping ligt ook in een heel mooi gebied, aan de rand van de Kruisbergse bossen. Het is, volgens de folder die we van de camping mee hebben genomen, een groot groen wandel-, fiets- en paardrijgebied van maar liefst 600 hectare gemengd bos tussen Doetinchem en Hummelo in het hart van de Gelderse Achterhoek. Het hele jaar door is parkcamping "Het Graafschap" een plek om stil te genieten en tot rust te komen en "je geestelijke bagage te verrijken door een speurtocht te ondernemen naar de kulturele schatten van de aan historie zo rijke Achterhoek èn het aangrenzende Duitse Münsterland."

's Middags gingen we een rit maken. Eerst reden we naar Hummelo, het plaatsje waar in 1828 Charlotta Ratelband werd geboren. Hier ergens was het dat haar grootmoeder Garritjen Hartong werd verkracht (eind 1794). Toen het hieruit geboren kind werd gedoopt verklaarde ze "dat sij bij gelegentheid der keyserlijke inkwartiering is overvallen door enige soldaaten die haar op weg ontmoet waren, en dus geen vader konde opgeven".

Hummelo is maar een kleine plaats en je bent er zo doorheen. We volgden de borden naar 's Heerenberg. De afstanden zijn niet groot en je bent er zo. Daar maakten we een wandeling bij Huis Bergh, nadat we ergens een plaatsje voor de auto hadden gevonden.

Huis Bergh

Dat was nog wel lastig, want er waren weinig plekjes vrij. Maar goed, het was toch gelukt. Natuurlijk maakten we er ook foto's. Op de terugweg naar de auto kochten we bij een supermarkt brood, want onze voorraad begon aardig te slinken. Het was heerlijk weer, echt zomer. Ik begon er al spijt van te krijgen dat ik mijn lange broek had aangetrokken. De kleren lagen wel allemaal in de auto, maar je zomaar gaan verkleden is toch wel lastig.

Het Montferland, waarin 's Heerenberg ligt, is een gebied met een rijke historie. Alleen al de naam roept herinneringen op aan de kruistochten ... In dit gebied leefde ook het middeleeuwse voorgeslacht van mijn vader (dit is het voorgeslacht van Peterke van de Pavordt; klik hier om de kwartierstaat te bekijken).

Constantijn, Prins van Gargar (ca. 1075-1134), Armeniër; hij vocht als beroepsmilitair samen met de Kruisridders en was boezemvriend en zwager van Boudewijn I (eerste koning van Jerusalem). Hij bouwde omstreeks 1120 de burcht Montferrand in het huidige Montferland. Daarom noemde hij zich "de Monte", ofwel Van den Bergh. De elf besanten op de schildzoom van het wapen (boven de toegangsdeur) verwijzen mogelijk naar het jaar 1100, het jaar waarin het koninkrijk Jeruzalem ontstond. (Bron: Gelders Erfgoed 1998-2.)

Toegangspoort Huis Bergh

Klik hier om een verslag te lezen dat ik schreef n.a.v. een bezoek dat ik in 1989 bracht aan Huis Bergh.

Nadat we het stadje uitgereden waren begaven we ons op weg naar Emmerich. Het was voor de tweede keer in een week tijd dat we een reisje maakten naar Duitsland. We zochten een parkeerplaats en maakten een wandeling over de Rheinpromenade, tot even voorbij de Martinikerk. Op een bankje namen we plaats en keken over het water. Het was mooi. De Rijn is hier geen grensrivier, zoals ik ooit dacht, want we zaten aan de noordzijde van de rivier en keken in zuidelijke richting, tegen de zon in. Na een poosje liepen we weer verder.

We hadden de hele middag mooi weer, en hadden min of meer het besluit genomen om voor een paar nachten bij te tekenen. Maar al van ver af zagen we de donkere wolken hangen. En terug op de camping barstte er dan ook een hevig onweer los. Met de nodige regen. We kwamen op ons besluit terug: de volgende dag lekker naar huis. We hadden een mooie reis gemaakt en veel gezien. Zelfs op ons tweede uitstapje naar Duitsland hadden we heel wat kilometers gereden (69 om precies te zijn). Het is een prachtig gebied. Als het mooi weer zou zijn geweest, of als we met de caravan zouden zijn, hadden we ons vertrek vast uitgesteld.

's Avonds liepen we nog even naar de manege. Er werd nu les gegeven, dus veel boxen waren leeg. Maar de deur was open, zodat we gewoon naar binnen konden. Er hing een bordje, waarop stond te lezen dat in vrijwel alle gevallen waarbij een ruiter onvrijwillig het zadel verliet, dit veroorzaakt werd doordat het paard schrok, bijvoorbeeld van het zwaaien met een paraplu ... Ik had hem ook bij me, maar hield hem keurig naar beneden. Uit ervaring weet ik hoe onplezierig het is om te vallen, zelfs in het zand.


Dag 6, zaterdag 29 juli

Oké, we gaan naar huis. De theedoek was na de afwas nat en nu echt niet bruikbaar meer. Maar we konden er nog wel de tent mee afdrogen. Cor z'n handdoek werd opgeofferd voor het afvegen van de onderkant van de tent. Met een handkarretje werd de bagage en de rest naar de auto gebracht en ik rekende af.

We volgden vanaf Arnhem de A12, en bij Utrecht de A2. Onderweg reden we door heel wat buien, maar bij Amsterdam gekomen was het droog. In Purmerend scheen de zon zelfs en was het warm. Mensen liepen in hoog zomerse kleding. Je zou het bijna vergeten, maar het was zomer. We brachten meteen de fotorolletjes weg en kochten twee broodjes haring en vier lekkerbekjes. En toen naar huis.


Zondagmorgen

Het zit er op. De spullen zijn weer opgeruimd, de was gedaan, het campingbestek en de slaapzakken liggen weer in de caravan. Volgende keer misschien toch maar weer met de caravan?

Toch was de vakantie nog niet afgelopen, want we hadden nog een week. We besloten ook in Nederland nog het een en ander te gaan doen, afhankelijk van het weer. Zo gingen we op maandagmiddag varen met de boot en ergens in het IJsselmeer zwemmen. Het waaide behoorlijk, maar op het plekje dat we hadden uitgekozen was het water aangenaam van temperatuur. En op dinsdag maakte ik broodjes klaar en vertrokken we naar Santpoort, om er de ruïne van Brederode te gaan bekijken.

Ruïne van Brederode

De naam Brederode komt voor in het voorgeslacht van mijn moeder, voor het eerst bij Neeltje Hendriks Brederode, echtgenote van Egge Loon.

Verder gingen we nog een keer naar Egmond aan Zee waar we helaas de zon niet zagen ondergaan. Hij verdween in een dik pakket wolken.

Maar nu is het dan toch echt afgelopen. We zullen weer een jaar moeten wachten voor onze volgende vakantie. Waar die naar toe zal gaan weten we nu nog niet. Nogmaals naar Duitsland, om de mislukte foto's alsnog proberen te maken? Of toch maar weer naar Frankrijk, waar we ook nog lang niet alles hebben gezien? We zien wel, we hebben nog wel even de tijd om daarover na te denken ...



Verhalenpagina