(door Hanny Sinkeldam-Buschmann)
Pagina op volledig scherm bekijken – Verhalenpagina
Een merkwaardige gebeurtenis had plaats op 9 mei 1726, 's avonds tussen half tien en tien uur. Plaats van handeling: een huis op het Noordeinde van
Zaandijk, waar Grietje Dirkse en haar man Jan van Leeuwen woonden, alsmede Hendrik Dirksz. Sluijs en zijn vrouw Sijbrig Jacobs
Vroom. Sijbrig was een dochter van Grietje Dirkse, uit haar eerste huwelijk. Daarnaast woonde aan de ene kant Arent Teunisz. en aan de andere kant
Klaas Dirksz. Kaat.
Die avond stond plotseling een persoon voor de deur die zij niet anders kenden dan als Kleijn Koobisje. Hij wilde naar binnen, maar de deur was
dicht. Grietje Dirkse opende de deur.
"Wat wilt gij daar in doen?" vroeg ze, "ik en wilden U niet in hebben!"
"Ik wil mijn wijf hebben, jouw donder en blicksems kinderen!"
Kleijn Koobisje ging behoorlijk tekeer. Sijbrig Jacobs, op het rumoer af gekomen, probeerde hem wat te kalmeren.
"Mijn lieve vrient, Uw vrouw is hier niet!"
Gelukkig was haar man ook thuis en met z'n drieën probeerden ze Kleijn Koobisje buiten de deur te houden, door de onderdeur dicht te doen. De
bezoeker liet zich echter niet zomaar wegsturen. Hij greep zijn mes en haalde uit naar Hendrik. Niet één keer, maar meerdere malen. Gelukkig
kon deze het telkens ontwijken.
"Jouw donder en bliksems kint komt er maar uyt, en gij allegaar, ik sal Uw aan vierendeels snijen soo gij mijn wijf niet en geeft", ging Koobisje verder,
"die donderse hoer sal ik de hals afsnijen, of ik sal het Uw allegaar doen!"
Veel maakte het niet uit, wat ze was er gewoon niet. Het lukte de bewoners echter niet hem dat aan zijn verstand te brengen. Nu deed Hendrik een poging.
"Uw wijf en is hier niet, gaat hier vandaan!"
Met de uiterste inspanning en met groot gevaar, want hij zwaaide nog steeds met het mes, lukte het hen de onderdeur te sluiten. Kleijn Koobisje was
razend. Hij pakte een stok met een dweil en ramde de bovendeur daarmee. Toen waren de schotels en bakjes die buiten stonden aan de beurt. Al vloekende
smeet hij ze tegen de deur aan stukken.
"Gij sult mijn die donderse hoer uyt Uw huys geeven, of ik sal se uyt het huys branden! Ik weet dat sij daar in is en sal het huys nog van deese nagt in
de brant steeken. En soo ik het niet doen, so wouw ik dat mijn de donder aanstonts aan gruys sloegh!"
Koobisje ging zo afschuwelijk tekeer, dat Grietje uit angst de deur maar open deed. Al vloekende kwam hij binnen. Hij zou zijn vrouw zelf wel zoeken en
het huis uit sleuren. Helaas lukte hem dat niet, want ze was er gewoon niet. Ondertussen sloegen twee jongemannen alarm: de zoon van Grietje en de zoon
van haar man Jan van Leeuwen, die op dat moment afwezig was.
"Bueren staa bij, bueren staa bij!" riepen ze zo hard ze konden, waarop buurman Klaas Kaat op een koperen bekken klopte om hulp, terwijl de andere
buurman, Arent Teunisz., zich met zijn 'braave kneppel' naar de plaats des onheils begaf. Door het kloppen op het bekken kwamen de andere buren, die
inmiddels hun bed al hadden opgezocht, naar buiten. Sommigen ongekleed, sommigen slechts voor de helft gekleed. Hoe dan ook, met vereende krachten werkten
ze Kleijn Koobisje, die niet ophield dreigementen rond te strooien, het huis uit.
Grietje Dirkse en haar dochter probeerden twee regenten van Zaandijk van hun bed te kloppen. Zij waren reeds in diepe rust. Slechts één
van hen kregen ze wakker en hem vroegen ze om raad. Wat zouden ze in deze situatie het beste kunnen doen? De regent was zeer snel in zijn oordeel: er waren
buren genoeg en ze konden het beste maar proberen gezamenlijk Kleijn Koobisje te verwijderen. Het gevaar zou dan wel geweken zijn. Aldus geschiedde.
Arent Teunisz. en Hendrik Sluijs, geholpen door een groot aantal omstanders, bonden Koobis vast. Met z'n zessen lukte het hen hem in een roeiboot te
krijgen. Ze brachten hem naar de Middel in Westzaan, en vandaar naar het rechthuis. De nachtwacht van Westzaan werd van de aanwezigheid van Koobis op de
hoogte gesteld. Vervolgens klopte deze burgemeester Willem Bruijgom van z'n bed, die in eigen persoon even later bij het rechthuis verscheen. Willem
Bruijgom oordeelde dat Kleijn Koobisje maar achter slot en grendel moest. Daartoe liet hij nog twee man opkloppen. Toen die waren gearriveerd konden Arent
Teunisz., Hendrik Sluijs en de vier andere mannen hun gevangene aan hen overdragen en daarna huiswaarts keren.
De rust op het Noordeinde van Zaandijk was weergekeerd. En wat Kleijn Koobisje betreft: die zal zijn straf wel hebben gehad. (N.A. 6416, nr. 57, d.d.
14 mei 1726, Zaandijk.)
Hendrik Dirksz. Sluijs en Sijbrig Jacobs Vroom komen in kwartierstaat Hart-Sinkeldam (deelkwartierstaat Buschmann-Buijs) voor onder de nummers 1952/1953.