(door Hanny Sinkeldam-Buschmann)
Pagina op volledig scherm bekijken – De stamboom – Startpagina
Genealogie gaat dikwijls gepaard met een grote interesse voor een bepaald gebied, daar waar het zich allemaal afspeelde. Wat gebeurde er in de tijd waarin onze voorouders leefden? Hoe zag het er in vroeger eeuwen uit? Neem nu bijvoorbeeld Hoorn, een stad met een rijke historie, waarover Velius in de zeventiende eeuw reeds een Kroniek schreef. Wie een stadswandeling door deze stad maakt en de vele oude bouwwerken ziet proeft iets van dat rijke verleden.
Het Westfries Museum aan de Rode Steen in Hoorn geeft een prachtig beeld van de westfriese geschiedenis, waarin ook onze voorouders op hun eigen wijze een rol speelden. Het staat in het centrum van de stad en is niet moeilijk te vinden. Ook in dit fraaie gebouw werd geschiedenis geschreven.
Het museum is gevestigd in het in 1632 gebouwde Staten-College, waar destijds enkele malen per jaar een vergadering plaatsvond van het College van Gecommitteerde Raden van West-Friesland en het Hollands Noorderkwartier. Dat bleef meer dan anderhalve eeuw zo. Maar toen in 1795 de Fransen ons land binnenkwamen veranderde er veel, en niet alleen in Hoorn. Het rechtsstelsel werd geheel herzien en het systeem met schout en schepenen verdween. Er kwam eenheid in rechtsregels en de rechtspraak werd openbaar. De hoogste rechtbank werd gevormd door het keizerlijke hof in Den Haag en in Hoorn kwam een arrondissementsrechtbank. Het Staten-College kreeg hierdoor een nieuwe funktie. Overigens moest de arrondissementsrechtbank in 1877 plaatsmaken voor een kantongerecht.
Heel apart is het om een kijkje te nemen bij de arrestantencellen. Het zijn er twee. Ze werden op de zolderruimte getimmerd, omdat de voor te leiden arrestanten tijdens de rechtsprocedure tijdelijk opgesloten moesten kunnen worden.
Er is uiteraard nog veel meer te zien: bodemvondsten, schilderijen, kerkhistorie, schuttersstukken, stijlkamers, scheepsmodellen, een glascollectie en nog veel meer. Op de beroepenzolder kan de bezoeker o.a. een zilversmidswerkplaats en een winkeltje uit lang vervlogen tijden bekijken. Er liggen tabaksartikelen, bakkerijspullen en enige tropische waren uitgestald. Veel in het museum herinnert aan het V.O.C.-verleden.
Er zijn ook wisselende tentoonstellingen. Bij het bezoek aan het museum op 13 februari j.l. (1992) was dat "Chamsa, sier van Marokko", en op dit moment is er een tentoonstelling van Indische schilderijen. Deze duurt nog tot en met 31 augustus a.s. (VVV-brochure Hoorn 1992).
Ook over de Rode Steen is wel het een en ander te vertellen. Het is een plein in het hart van de binnenstad. Ooit werd hier kaasmarkt gehouden. In het midden staat Jan Pieterszoon Coen, geboren en getogen te Hoorn, gouverneur-generaal van de in 1602 opgerichte V.O.C. en stichter van Batavia. Schuin naast hem ligt een rode steen. Op die plek vonden in vroeger tijden de terechtstellingen plaats. In zijn jeugd zal hij er heel wat hebben meegemaakt, want ze trokken altijd veel publiek. Volgend jaar (7 maart 1993) zal het precies 150 jaar geleden zijn dat hier in vredestijd de laatste persoon in Noord-Holland, nog geen 28 jaar oud, door het gerecht ter dood gebracht werd "wegens moedwilligen moord en diefstal, waarvoor hij met de koorde gestraft is". Hij werd dus opgehangen. De kinderen in Hoorn hoefden die dag niet naar school, zodat ze allemaal konden gaan kijken ....
De terechtgestelde was Pieter Cornelisz. Boots, geboren op 12 juni 1815 te Avenhorn. Er werd nog wel een verzoek om gratie ingediend, maar dat werd afgewezen.
De vader van Pieter was koopman. Hij was in 1819 getuige bij het huwelijk van Willemtje Braas en Klaas Spekken, de zoon van Maartje Klaas Mul, de zuster van zijn vrouw. Zijn moeder, Antje Klaas Mul, die achttien jaar jonger was dan zijn vader, woonde als weduwe in Grosthuizen toen haar zoon werd terechtgesteld.
Tot slot nog dit: Jantje Spekken, een dochter van Klaas Spekken en Willemtje Braas, trouwde in 1856 met Klaas Sinkeldam. Zij was nog heel jong toen het allemaal gebeurde. Ongetwijfeld heeft ze het haar hele leven met zich meegedragen, want het vermoorde meisje was haar zusje ....
(Gezien de omvang van het artikel werd het enigszins ingekort.)
Insulinde, Indisch eilandenrijk, een bloemrijke naam die Multatuli in 1860 in zijn "Max Havelaar" creëerde voor Nederlands Oost-Indië. Het was een verplicht boek op school of we het nu leuk vonden of niet. En leuk was het niet altijd. Multatuli of, zoals zijn echte naam luidde, Eduard Douwes Dekker, schreef het binnen een maand op een zolderkamertje van een Brussels logement. Voor het lezen en leren van het boek hadden wij op school heel wat meer tijd nodig. Een boek over Nederlands koloniaal verleden en de wantoestanden die heersten in dat toch prachtige eilandenrijk. Hoe is dat toch zo gekomen?
Vervolgens wordt een stuk van de geschiedenis beschreven, over de Europeanen die Indonesië bezochten, voornamelijk om aan de toenemende vraag naar specerijen te kunnen voldoen, over uitbuiting, over de Nederlanders die aan het einde van de zestiende eeuw zowel de Spanjaarden als de Portugezen verdreven en over de oprichting van de V.O.C. in 1602. Er braken gouden tijden aan. De handel groeide enorm. In Hoorn treft men nog veel gebouwen aan die aan het V.O.C.-tijdperk herinneren. Het waren echter niet alleen de Nederlanders die grote belangstelling hadden voor wat nu Indonesië heet. Ook de Engelsen zagen er wel wat in ... en de sterkste wint.
Jan Pietersz. Coen stichtte in 1618 een fort te Jacatra (1619: "Batavia") en verdreef er de Engelsen. Een paar jaar later werd het de officiële naam voor de stad die door Jan Pietersz. Coen op de puinhopen van Jacatra werd gebouwd. Het werd de hoofdstad van Nederlands Oost-Indië. (...) Het is echter niet de bedoeling in dit blad (en evenmin op deze website) de hele historie te beschrijven. Wie er meer van wil weten kan bijvoorbeeld de encyclopedie raadplegen, of bij de bibliotheek gebruikmaken van alles wat over de Indonesische geschiedenis is geschreven.
In 1942, tijdens de 2e Wereldoorlog, werd Indonesië door de Japanners bezet. Afschuwelijke dingen hebben zich daar afgespeeld. Vele teruggekeerde Nederlanders kunnen daarover meepraten ...
In augustus 1945 riepen de nationalistische leiders, waaronder Soekarno, eenzijdig de onafhankelijkheid uit. De Nederlanders lieten het er echter niet bij zitten en ze stelden alles in het werk om hun gezag weer te herstellen. Dat lukte echter niet. Nederland zond troepen naar Indonesië. Daaronder bevond zich ook dienstplichtig militair Kees Sinkeldam, die in 1947 werd opgeroepen. Datzelfde jaar keerde de familie Brieko-Sinkeldam naar Nederland terug, met hun in 1933 te Batavia geboren dochtertje Yvonne. Op 27 december 1949 vond de soevereiniteitsoverdracht aan de Republiek Indonesië plaats en de naam Batavia veranderde toen in Djakarta.
De NNC van zaterdag 27 juni meldde dat er op 2 en 17 juli (1992) open dagen gehouden zouden worden voor resp. marineveteranen en militairen van de landmacht, die na de Tweede Wereldoorlog dienden in het voormalige Nederlands-Indië. Een stukje uit dit artikel:
" De 130.000 die naar Nederlands-Indië gingen, waren vrijwilligers en dienstplichtigen die niet wisten wat hen te wachten stond. De wereld was op dat moment bezig met de wederopbouw na een grotere oorlog. In Nederlands-Indië waren ze geen bevrijders, maar ze moesten het koloniale bewind herstellen. Uiteindelijk stak Amerika een stokje voor het Hollandse imperialisme en Nederland ging af door een zijdeur. "
Overigens bleef Kees Sinkeldam er niet tot het einde. Na een verblijf in de tropen van ongeveer een jaar werd hij met De Grote Beer, een schip van het Rode Kruis, wegens ernstige rugklachten naar Nederland teruggestuurd. Daar werd hij geopereerd en onderging er de nodige behandelingen om daarna de draad van het leven, zoals dat er voor de diensttijd uitzag, weer op te pakken.
Kees (Casey) Sinkeldam overleed te Ormond Beach (Florida, U.S.A.) op 27 september 2002.
Ook de naam RATELBAND is in verband te brengen met Indonesië. In de collectie familie-annonces van het CBG te Den Haag bevindt zich o.a. een advertentie, waarop het overlijden van Johannes Ratelband te Haarlem op 8 februari 1867 wordt vermeld (meer over hem bij VII-1 in de genealogie van het uit Anholt afkomstige geslacht, zie ook het overzicht aan de linkerkant). Hij was gepensioneerd Kap. van het Oost-Indisch leger. Familieadvertenties vermelden vaak de woonplaatsen van de kinderen. Zo bleken er kinderen van Hendrika Ratelband-Heck, die op 18 mei 1917 te Den Haag overleed, te Soerabaya en Semarang te wonen.
Inmiddels is een begin gemaakt met het in kaart brengen van de verschillende geslachten Ratelband. Zolang het tegendeel niet is bewezen mogen we een familierelatie immers niet uitsluiten!
Volgens de encyclopedie is een klooster een gebouw (complex van gebouwen), dat dient tot verblijfplaats van kloosterlingen. Er ontstonden kloosters in alle grote wereldgodsdiensten, zoals het boeddhisme en de islam. In het Westen werd het kloosterwezen in de vierde eeuw bekend (de Orde der Benedictijnen werd in het jaar 529 gesticht). Sindsdien ontstonden er ook in onze contreien heel wat kloosters, zoals in Egmond.
In ons blad van mei van dit jaar heeft U kunnen lezen hoe Dennis en Ellen Sinkeldam van Dirk II van Holland en Hildegard van Vlaanderen afstammen. Deze Dirk II was een kleinzoon van Dirk I, aan wie in 922 een kapel in de duinen werd geschonken, met alles wat daarbij hoorde (overdrachtsoorkonde d.d. 15 juni, opgesteld te Bladel). Meer dan tien eeuwen zijn er sindsdien verstreken, eeuwen waarin zeer veel gebeurd is. Echter niet alleen in die laatste tien eeuwen werd er geschiedenis geschreven, ook daarvóór! Natuurlijk, het is allemaal heel lang geleden. Veel mensen interesseert het niet of nauwelijks wat er in die lang vervlogen tijd gebeurde. Wie echter beseft dat zijn voorouders ook in die tijd leefden (geen enkel geslacht is zo maar uit de lucht komen vallen), leest een geschiedenisboek anders. Hij maakt er immers zelf deel van uit?
We hebben vroeger op school allemaal geleerd dat de Noormannen gedurende zeer vele jaren ons land teisterden. Ze vormden een regelrechte ramp. Zo brandden ze het boven het graf van de heilige Adelbert gebouwde kerkje aan het strand bij Egmond plat. Niet zo verwonderlijk, want dat was het eerste wat ze zagen toen ze met hun schepen langs onze kust voeren. Uiteraard werd het kerkje weer opgebouwd, maar de geschiedenis herhaalde zich. De Egmonders waren echter onvermoeibaar. Toch werd de kerk na verloop van tijd wel versterkt, en wel zodanig dat hij beter te verdedigen zou zijn. Opgravingen hebben aangetoond dat het bouwwerk door een gracht en een wal was omringd.
Het waren overigens niet alleen de kuststreken die door de Noormannen onveilig werden gemaakt. Ook in de omgeving van de grote rivieren werden de Noormannen, ook wel Vikingen genoemd, alom gevreesd.
Omdat de aanvallen van de Noormannen maar doorgingen beleende Karel de Dikke, de Oostfrankische koning, in 882 een van de aanvoerders der Noormannen (ene Godfried) met een graafschap dat door de dood van Rorik was vrijgekomen. Men hoopte op rustiger tijden, nu hij zijn eigen graafschapje had. Helaas bleek die hoop al gauw ijdel, want Godfried was zeer onbetrouwbaar. Hij moest van het toneel worden verwijderd. Maar wie moest dat doen? Graaf Everhard Saxo, uit de Betuwe, werd tenslotte met dit bijzondere karwei belast. Tijdens een maaltijd trok hij zijn zwaard en doodde Godfried. Zelf werd hij dertien jaar later door Waldger, een zoon van graaf Gerulf, om het leven gebracht. Deze Waldger stichtte volgens de overlevering aan het einde van de negende eeuw een klooster in Tiel.
Een andere zoon van graaf Gerulf was bovengenoemde Dirk I. Zijn zoon Dirk I (bis) stichtte tussen 928 en 939 een houten kloosterkerk in Hallum (Egmond), waarheen hij de relieken van de heilige Adelbert liet overbrengen. Het klooster werd bevolkt door nonnen.
Je zou je kunnen afvragen waarom ze dat deden: een klooster stichten. Wel, waarschijnlijk was het in die tijd bij edelen de gewoonte om dat te doen en het kon nooit kwaad als de kloosterlingen voor de stichter konden bidden.
Graaf Dirk I (bis) stierf begin oktober van het jaar 939, bij de slag van Andernach. Zijn sterfdag werd in Egmond, waar hij begraven werd, op 6 oktober herdacht. Ook Geva, zijn vrouw, werd daar begraven. Haar sterfdag werd op 11 januari herdacht. In welk jaar zij overleed is onbekend.
Een houten nonnenklooster was uiteraard erg kwetsbaar: het was al enige keren door brand beschadigd. Ook was de omgeving, waar dikwijls strijd gevoerd werd, niet bepaald veilig voor de nonnen. Toen Dirk II dan ook graaf geworden was, liet hij de houten bouwwerken door steen vervangen en de nonnen werden elders, in een veiliger omgeving ondergebracht. De nieuwe bewoners waren benedictijner monniken uit de St.-Pietersabdij te Gent.
Er zijn in de loop der eeuwen heel wat kloosterorden ontstaan. In dit blad wordt daar niet verder op ingegaan. Wie er meer over wil weten kan gebruikmaken van de beschikbare literatuur over dit onderwerp. Over de bovengenoemde Dirk I enz. kan men lezen in het boek: "Gravinnen van Holland" (Cordfunke). Zie ook: "Geschiedenis van de kerken in de parochie Onze Lieve Vrouwe Geboorte te Wormerveer", van Jur van der Laan (aanwezig in bibl. afd. Zaanstreek-Waterland NGV).
In sommige families kwam (en komt) het voor dat een of meerdere dochters "in het klooster" gingen. Bij de familie Sinkeldam kwam dat vooral voor in de Waterlandse tak. In het gezin van Dirk Sinkeldam en Elizabeth Zijp was dat het geval bij drie van de vier dochters. Nicolaas, enige zoon in dit gezin, werd bakker in De Rijp. In het gezin van Klaas Sinkeldam en Agatha Clasina Vader verlieten drie dochters (en een zoon) het ouderlijk huis, teneinde hun intrek in een klooster te nemen.